|
Grasmaaiers en klimaatverandering
Het zal u niet ontgaan zijn dat in de media relatief veel aandacht wordt besteed aan klimaatverandering. Het KNMI publiceerde onlangs haar nieuwste bevindingen in het rapport “De toestand van het klimaat in Nederland in 2008”. Samengevat komt het hierop neer:
- De opwarming zet door. Hierdoor komen zachte winters en warme zomers vaker voor;
- De winters worden gemiddeld natter en ook de extreme neerslaghoeveelheden nemen toe;
- De hevigheid van extreme regenbuien in de zomer neemt toe, maar het aantal zomerse regendagen wordt juist minder;
- De veranderingen in het windklimaat zijn klein ten opzichte van de natuurlijke grilligheid;
- De zeespiegel blijft stijgen.
Omdat klimaatverandering ook invloed heeft op het maaiseizoen, hebben wij eens gekeken in hoeverre in de afgelopen eeuw de lengte van het maaiseizoen is veranderd. Dit hebben wij als volgt bepaald:
(1) Voor elk jaar vanaf 1900 hebben wij gekeken wanneer de cumulatieve etmaaltemperatuur de waarde van 300 bereikte (negatieve getallen niet meegerekend). Wij hebben aangenomen dat zodra deze waarde is bereikt, de zg. Tsom of Tsum, het gras voor het eerst gemaaid moet worden: de start van het maaiseizoen (Ms);
(2) Wij hebben aangenomen dat oktober de laatste volledige maaimaand is. Het einde van het daadwerkelijke maaiseizoen hebben wij vastgesteld door in november en december het aantal dagen met een etmaaltemperatuur van minstens 7,5 graden te tellen (Me);
(3) De lengte van het maaiseizoen Ml hebben wij berekend door Ml = 366 - Ms - 61 + Me.
Uit onderstaande grafiek blijkt overduidelijk dat de gemiddelde lengte van het maaiseizoen in Nederland al vanaf begin jaren zeventig is gaan veranderen. Was die toen gemiddeld zo’n 235 dagen, tegenwoordig bestaat het maaiseizoen uit zo’n 260-265 dagen. Da’s een verschil van 12 à 13%! Voor grasmaaierfabrikanten wellicht een verheugende ontwikkeling... al blijven er uiteraard van jaar tot jaar duidelijke verschillen bestaan! De verandering komt door een tweetal effecten: (1) gemiddeld genomen begint het maaiseizoen steeds vroeger; en (2) het komt steeds vaker voor dat in het late najaar nog gemaaid kan/moet worden.
De invloed van het weer op de vraag naar grasmaaiers
VOLBUR heeft een model ontwikkeld waarmee zeer nauwkeurig de relatie tussen de vraag naar en verkopen van grasmaaiers en weersomstandigheden in kaart is gebracht. Hieronder ziet u het werkelijke verloop van de (wekelijkse) vraag en het gesimuleerde verloop volgens het wiskundig model (periode week 1, 2006-week 26, 2008).
Zoals u hieronder kunt constateren zijn de verschillen minimaal. De conclusie lijkt hiermee gerechtvaardigd dat meteorologische omstandigheden een zeer voorname rol spelen in de seizoensmatige vraagfluctuaties. Niets nieuws onder de horizon zult u zeggen. Het betekent ook dat deze fluctuaties zich moeilijk laten voorspellen omdat het weer zich nu eenmaal moeilijk laat voorspellen.

Wij hebben hieronder voor u een vereenvoudigd, maandelijks model gemaakt, zodat u zelf kunt zien wat de invloed is van bepaalde weersomstandigheden op de vraag naar grasmaaiers. Per weersomstandigheden-variabele kunt u kiezen voor drie varianten: normaal, minder/lager en meer/hoger. Normaal betekent in dit geval het gemiddelde van die variabele gedurende de gekozen maand, berekend over de laatste 100 jaar. Minder/lager of meer/hoger betekent het gemiddelde minus of plus éénmaal de standaardafwijking. Deze standaardafwijking is ook berekend over de laatste 100 jaar. Echte extremen kunt u in onderstaand model dus niet kiezen. Toch zijn er in dit simpele model alleen al per maand 243 weersvarianten mogelijk! Toch moet u uitkijken met combinaties: zo is een lagere temperatuur met veel zonne-uren, met weinig bewolking en veel regen niet zo’n waarschijnlijke variant. Er bestaat dus een zekere correlatie tussen variabelen. Die hebben wij hieronder voor u vermeld. Deze waarde kan variëren tussen -1 en 1. Een waarde van -1 betekent een perfect negatief verband tussen twee variabelen, een 1 betekent een perfect positief verband tussen twee variabelen, een 0 betekent geen verband. Een waarde van bijv. 0.35 betekent een zwak positief verband en een waarde van -0.65 een redelijk sterk negatief verband. Positief betekent: als de ene variabele stijgt, dan stijgt de andere ook. Negatief betekent: als de ene variabele stijgt, dan daalt de andere.
|